‘Hoe ziet de jouwe eruit?’ vroeg ik aan iedereen die ik tegenkwam

“Zo, die komt wel even binnen.” Jeroen – normaliter een relaxte gast – zat verstijfd tegenover me. Twee grote ogen keken me aan.

— “Ja, het gaat wel ergens over.” Even twijfelde ik of ik dit wel hardop had gezegd.

“Inderdaad.”

Dacht hij dat ik doof was? Omdat aan mijn oren niks mankeert, kwam het luid en duidelijk aan. Geen misverstand mogelijk.

Deze strakke kop kon ik me niet niet herinneren eerder bij hem te hebben gezien. Toch werd zijn blik direct zichtbaar zachter. En hij werd stil. Hij dacht er echt over na.

Ik had besloten aan iedereen die ik sprak te vragen: “Hoe ziet jouw begrafenis eruit?”

Gewoon, om te zien wat er gebeurt.

Hoe reageren mensen als ze geconfronteerd worden met hun eigen dood? Trekken ze hun mond open? Of houden ze ‘m dicht, hun lippen gesloten als het graf?

Ik wilde het weten en besloot het uit te vinden. De enige voorwaarde die ik aan mijn experiment stelde, was dat er genoeg tijd moest zijn – een ander confronteren is lollig, maar hun reactie wil ik dan natuurlijk niet missen. Bij Jeroen, de eerste die ik het vroeg, hadden we alle tijd.

Hij richtte zijn blik op en keek me aan.

Hij had een nogal serieuze kop.

Het was vroeg in de avond en we zaten tegenover elkaar aan tafel, net klaar met eten. Salade en aardappelen uit de oven, met op de huid gebakken zalm – een feestmaal.

De lege borden stonden nog tussen ons in.

Een beetje ongemakkelijk was het wel. Ik keek hem strak aan en wachtte af – hij keek terug. Toen schoof hij zijn stoel naar achteren, legde zijn linkerbeen op zijn rechterknie en trok de lege eetkamerstoel links naast hem erbij. Zijn linkerarm legde hij op die rugleuning. Vervolgens zakte hij ietwat onderuit – een ontspanning gleed door zijn lichaam.

Hij begon te praten.

De eerste zinnen heb ik niet gehoord. Ik was vooral bezig met kijken naar wat hij deed. En bezig met mijn eigen gedachten.

Wat een fuckvraag is dit eigenlijk. Waarom moet ik dit nou zo nodig weten? Mijn benen spande ik ongemerkt aan – een klotegevoel. En ik had het warm. Na een korte tijd, ik denk hooguit twee zinnen, toen hoorde ik hem wel.

“Jullie moeten mijn leven vieren – met whisky. Ook diegenen die geen whisky lusten, nemen een slok. Op mij.”

“Veel mensen hoeven er niet te zijn” vervolgde hij zijn verhaal. “Ik ken er toch niet zoveel, en dat doe ik bewust.” Ik merkte dat ik aandachtig luisterde. Ondanks mijn klotegevoel had ik nu in de gaten dat het toch een goeie vraag was. Er ontstond een intieme sfeer. 

“Ik wil gecremeerd worden en daarna uitgestrooid in de vrije natuur.”

Als met een zweep geslagen kromp ik ineen, voor even voelde het alsof ik hem echt verloor. “Maar wat als mensen nog geen afscheid van je kunnen nemen?” hoorde ik mijzelf vragen. “Als ze de urn met je as nog even bij zich willen houden?”

“Oh, dat is goed hoor. Als je me daarna maar uitstrooit in de vrije natuur.” En zo troostte hij mijn blijkbaar zichtbare verdriet weg.

Eerlijk gezegd was het stellen van de vraag niet zo makkelijk als ik vooraf had gedacht.

Twee dagen later sprak ik Karin. Karin ken ik niet goed en ik had echt geen flauw idee hoe zij zou reageren. Juist daarom stelde ik haar de vraag.

— “Oeps, daar heb ik helemaal niet over nagedacht.”

Ze leek verrast, een beetje alsof ze werd betrapt met haar grijpgrage klauwtje in de snoeppot.

Op dat moment draaide zij zich van mij af en sloeg een hand voor haar gezicht.

— “Goh, ja, . . . uh . . . tsja . . .  wat een vraag” stamelde ze.

“Inderdaad.”

Het werd even stil en ik zag haar nadenken.

— “Eigenlijk vraag je dus hoe ik wil dat mijn begrafenis gaat?” onderbrak ze de stilte.

Ik knikte bevestigend en wachtte af. Ik voelde me opgelaten bij dit wachten. Mijn gezicht voelde warm aan, alsof ik bloosde. Meerdere vragen brandden op de punt van mijn tong. Ik besloot ze niet te stellen en af te wachten hoe ze zou gaan reageren.

Blijkbaar zichtbaar schoof ik ongemakkelijk op mijn stoel, want prompt stak ze van wal.

— “Ik wil dat er veel mensen zijn, en dat ze er een feest van maken. Met muziek en dans. Dat ze mijn leven vieren met een feest.”

Ze vertelde enthousiast.

(tekst gaat verder onder afbeelding)

funeral party

Hoewel ik wel zin had in zo’n vette party, kwam Karins verhaal nogal druk over. Nep. Alsof ze vond dat ze ter plekke even wat moest verzinnen.

Ik vroeg mij dan ook af of ze dit wel echt zou willen.

“Waarom heb je er helemaal niet over nagedacht? Vind je het moeilijk?”

— “Nee, ik vind het niet moeilijk, hoewel het onderwerp begrafenis bij mijn ouders thuis doodgezwegen wordt.” Ze haalde even adem en vervolgde:

“Toen ik klein was overleed mijn zus, mijn tweelingzus . . .”

Een stoot recht in m’n gezicht. Een directe uppercut die ik niet zag aankomen. “Die komt wel even aan” wist ik nog uit te brengen.

Toen werd het stil.

Wat een kutmoment. Dit was niet zoals ik het mij had voorgesteld toen ik mijn confrontatie-experiment begon.

Ik moet zeggen dat het een hele goeie is om te vragen naar een ander zijn begrafenis.

Oké, de ander schrikt en je mond valt open van wat je hoort. Maar nu het experiment voorbij is, kan ik wel zeggen dat ik Jeroen en Karin beter ken. Een beetje alsof je een geheim deelt. Net zoals toen ik de volgende dag John sprak en hem de vraag stelde.

Funeral

Leave a Reply

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Volg Bureau HAAS

Nieuwe artikelen als eerste in je mailbox?

Het is gratis en gegarandeerd spamvrij. Dus waarom zou je het niet doen?